De volgende dag eten lekker opbakken. Dat is, meen ik, het woord: opbakken. En `lekker’ hoort er ook bij. Veel eten gedraagt zich in opgebakken staat beter dan de dag ervoor. Er is iets aan toegevoegd, ik weet niet wat, misschien alleen maar tijd. Op de universiteit van Wageningen is vastgesteld dat we tien procent van ons eten weggooien. Honderdvijftig euro per jaar. Wat is erger, het geld of de hoeveelheid eten? Als ik eten weggooi, heb ik liever niet dat iemand het ziet. Die schaamte heeft met mijn opvoeding te maken. Als ik zelf kook heb ik inmiddels geleerd niet te veel klaar te maken, maar ik houd er ook niet van, van te veel eten. In restaurants is het ingewikkelder. In de meeste valt het eten tegen. Op de dwingende vraag of het heeft gesmaakt, antwoord je laf bevestigend en je voegt eraan toe ‘maar ja, beetje veel’. Soms zegt de ander `Beter te veel dan te weinig’, een cliché dat bij matig eten hoort. Ik heb vooral bezwaar tegen te veel vlees, ook omdat ik een bescheiden vleeseter ben. `Alsjeblieft niet zo’n enorme lap’ zeg ik weleens, terwijl ik besef dat dit geen prettige woorden zijn. Ik heb echter al gekeken naar de borden van andere eters en weet hoe laat het is qua vlees. Het kan echter zelden en ik snap nooit waarom, maar heb ook geen zin erover te praten, want daarvoor ga je niet naar een restaurant. Dat doe je immers niet alleen omdat eten nuttig is, maar ook ter ontspanning. En een gesprek over iets dat niet kan, komt die ontspanning niet ten goede. Ik vraag ook bijna nooit of ik wat over is mee naar huis mag nemen, `voor de hond’. Waarom zou je, zeker als er geen hond is?
Reacties
Recente reacties